Financieel ondernemers: corona update

Beste ondernemer,

Blijf positief, geniet van de tulpenvelden en lees ondertussen de meest recente financiële maatregelen door rondom de coronacrisis.

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) uitgebreid

Borgstellingskrediet

Als een ondernemer te weinig onderpand heeft om geld te lenen kan via de financier gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB). De BMKB vergroot het onderpand en daarmee ook de financierbaarheid van de onderneming. Met het borgstellingskrediet staat het ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor een deel garant voor bedrijven die een lening willen afsluiten.

Coronamodule

Het kabinet heeft een tijdelijke faciliteit, voor de duur van één jaar, onder de BMKB opengesteld voor MKB-bedrijven die getroffen zijn door de uitbraak van het coronavirus. Deze verruiming, die voor de brede doelgroep MKB-bedrijven kan worden ingezet, betekent dat de Staat een hoger garantieaandeel aanbiedt in de BMKB. In de huidige regeling betreft het borgstellingskrediet in de meeste gevallen 50% van het krediet dat de financier (vaak een bank) verstrekt. De borg van de overheid bedraagt 90% van dit borgstellingskrediet.

Voor deze maatregel is de omvang van het borgstellingskrediet in de BMKB verhoogd van 50% naar 75%. Deze maatregel kan benut worden door MKB-bedrijven en is bestemd voor overbruggingskrediet of verhoging rekeningcourantkrediet bij een financier, met een maximale looptijd van twee jaar. De financier is verplicht om, naast een kredietovereenkomst die onder de borgstelling wordt gebracht, tegelijkertijd met de MKB-ondernemer een kredietovereenkomst te sluiten, waar geen bedrijfsborgstelling voor geldt.

De hoofdregel is dat deze kredietovereenkomst minimaal 100% bedraagt van het krediet dat onder de borgstelling wordt gebracht. De verhouding is derhalve 1:1. Voor bepaalde categorieën MKB-ondernemers geldt een ander percentage. Voor starters is dit bijvoorbeeld 33,3 procent. Dit geldt ook voor MKB-ondernemers die geraakt zijn door de PFAS- en stikstofproblematiek.

Ook voor de MKB-ondernemingen die een liquiditeitsbehoefte hebben door de uitbraak van het coronavirus en een kortlopend krediet afsluiten voor de duur van twee jaar, is dit percentage vastgesteld op 33,3%. De verhouding wordt daarmee 1:3. Dit geldt voor leningen die voor de duur van de verruiming op grond van deze regeling worden verstrekt. Deze verruiming is voorzien voor de duur van één jaar. De verplichting aan de banken om een persoonlijke borgstelling te vragen voor het krediet is verlaagd van 25% naar 10%. Daarnaast wordt niet de eis gesteld dat er een tekort is aan zekerheden. Onder het reguliere regime is de looptijd van het bedrijfsborgstellingskrediet maximaal zes jaar. Voor het nieuwe bedrijfsborgstellingskrediet wegens de coronacrisis is de duur maximaal twee jaar.

De provisie is verlaagd van 3,9% naar 2%. Financiers hebben ook meer vrijheid in het maken van een afspraken over het aflossingsregime.

Accreditatie non-bancaire financiers

Ook non-bancaire financiers kunnen zich accrediteren om hun bestaande klanten te financieren onder de coronamodule van de BMKB. Voor de coronamodule is een verkort schriftelijk accreditatieproces ingericht. Als non-bancaire financiers een keurmerk van Stichting MKB-Financiering hebben, kan dat de accreditatie vereenvoudigen.

Borgstelling MKB-landbouwkredieten (BL) uitgebreid

Landbouw

De MKB-landbouwbedrijven die worden geraakt door de gevolgen van de uitbraak van het coronavirus en daardoor in liquiditeitsproblemen komen, kunnen tijdelijk rekenen op een verruiming van de regeling Borgstelling Landbouwkredieten (BL). Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit staat borg en banken kunnen hiermee enkele tientallen miljoenen werkkapitaal verstrekken. Vanaf 18 maart 2020 kunnen bedrijven gebruikmaken van deze extra module (BL-C), die voor de duur van een jaar is opengesteld.

Coronamodule
Deze verruiming betekent dat de Staat een hoger garantieaandeel aanbiedt. In de huidige regeling betreft het landbouwborgstellingskrediet in de meeste gevallen 66,6% van het krediet dat de financier (vaak een bank) verstrekt. De borg van de overheid bedraagt 70% van dit reguliere landbouwborgstellingskrediet. Er zijn daarbij wel een paar aparte voorzieningen voor starters en overnemers en landbouwinnovatie (BL plus) en het vermogensversterkend krediet. De tijdelijke verruiming is echter gericht op de reguliere landbouwborgstellingskredieten en houdt in dat de Staat voor 70% borg staat voor het gehele kredietbedrag dat door de financier wordt verstrekt. Dit is een verhoging van 50%.

Deze tijdelijke verruiming kan benut worden door MKB-landbouwbedrijven om bij een financier een overbruggingskrediet of verhoging rekeningcourantkrediet met een maximale looptijd van twee jaar te verkrijgen bij een financier. Ook een aantal overige voorwaarden is versoepeld. Dit helpt deze landbouwbedrijven om aan hun dagelijkse betaalverplichtingen te kunnen blijven voldoen.

Normaliter dient tegelijkertijd met een landbouwborgstellingskrediet een financieringsfaciliteit te worden verstrekt door de financier waarvoor de Staat niet borg of garant staat. Deze eis vervalt, wat als effect heeft dat de Staat voor deze vorm van financiering borg staat voor 70% van het kredietbedrag. Verder is rekening gehouden met de omstandigheid dat een MKB-landbouwondernemer mogelijk door al lopende landbouwborgstellingskredieten nu geen of minder landbouwborgstellingskrediet voor de hiervoor genoemde kortlopende kredieten voor liquiditeit of werkkapitaal zou kunnen krijgen. De aangepaste regeling voorziet in een verruiming van de toegestane cumulatie van reeds verstrekte landbouwborgstellingskredieten met maximaal € 300.000. Die verruiming heeft uitsluitend betrekking op landbouwborgstellingskredieten voor die kortlopende kredieten.

De verplichting aan de banken om een persoonlijke borgstelling te vragen voor het krediet is verlaagd van 25% naar 10%. Daarnaast wordt niet de eis gesteld dat er een tekort is aan zekerheden. Onder het reguliere regime is de looptijd van het bedrijfsborgstellingskrediet maximaal zes jaar. Voor het nieuwe landbouwborgstellingskrediet wegens de coronacrisis is de duur maximaal twee jaar.

De provisie is verlaagd van 3% naar 1,5%. Voor een starter of overnemer is de provisie verlaagd van 1% naar 0,5%. Financiers hebben ook meer vrijheid in het maken van een afspraken over het aflossingsregime.

Visserij en aquacultuur

De tijdelijke verruiming van de BL met de BL-C staat vanaf 18 maart 2020 ook open voor de visserij- en aquacultuursector. Deze tijdelijke verruiming naar de visserij- en aquacultuursector komt per 1 april 2021 weer te vervallen.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) verruimd en uitgebreid met GO-C

Staatsgarantie

De subsidiemodules Garantie ondernemingsfinanciering en Garantstelling gericht op bankgaranties (hierna samen aangeduid als de GO) beoogt de toegang tot bankkrediet voor het Nederlandse bedrijfsleven te verbeteren. Op grond van de GO kunnen banken een garantstelling van de Nederlandse staat verkrijgen voor kredieten die zij verstrekken aan ondernemers.

De GO geldt zowel voor MKB-bedrijven als niet MKB-bedrijven. Ook bevat de GO een faciliteit voor bankgaranties die ervoor zorgt dat de Nederlandse Staat garant kan staan voor door banken af te geven garanties voor de nakoming van contractuele verplichtingen van de desbetreffende onderneming. Voor de garantstelling wordt een kostendekkende premie geheven.

Verruiming GO

Vanwege de effecten van de coronacrisis is de GO verruimd. Door de coronacrisis worden ondernemingen uit diverse sectoren getroffen, doordat bijvoorbeeld goederen niet uitgeleverd kunnen worden of productielijnen stilvallen door een gebrek aan onderdelen. Hierdoor kunnen liquiditeitsproblemen ontstaan, bij in principe economisch gezonde ondernemingen. Mogelijk zal een financier zelfstandig aan de tijdelijke extra financieringsvraag van zo’n onderneming kunnen en willen voldoen.

De hoogte van de lening waarvoor garant wordt gestaan, is verhoogd van € 50 miljoen naar € 150 miljoen. Het garantiepercentage is 50%. De verruiming van de GO geldt vanaf 28 maart 2020.

Coronamodule (GO-C)

Het kabinet heeft besloten tijdelijk een coronamodule voor garantie op bankleningen aan de GO toe te voegen (GO-C). Het garantiepercentage van GO-C zal 80% (voor grootbedrijf met een omzet vanaf € 50 miljoen), respectievelijk 90% (voor MKB-ondernemingen met een omzet tot € 50 miljoen) bedragen. GO-C leningen hebben een maximale looptijd van drie jaar. Het kabinet overlegt nog met de banken hoe de GO-C zo snel mogelijk na goedkeuring van de Europese Commissie in werking kan treden. De GO-C zal naar verwachting ook toepasbaar zijn op kredieten die vanaf 24 maart 2020 tot de datum van inwerkingtreding van de regeling zijn verstrekt.

Subsidieplafond

Het subsidieplafond is verhoogd waardoor kan worden tegemoetgekomen worden aan de toenemende vraag van (potentiële) gebruikers van de GO en de GO-C.

Qredits verlaagt rente naar 2% en verleend uitstel van aflossing

Qredits is de op Nederlandse markt uniek als verstrekker van microkredieten en heeft als stichting een ideëel doel en een aanpak die wezenlijk anders is dan reguliere banken, zoals bijzondere persoonlijke aandacht voor de ondernemers en de ontwikkeling van het business plan. Dit type ondernemingen kenmerkt zich veelal door een gebrek aan financiële reserves.

Het kabinet ondersteunt Qredits financieel met een aanvullend bedrag van maximaal € 6 miljoen. Daardoor berekent Qredits gedurende maximaal zes maanden een lagere rente van 2% en verleent Qredits uitstel van aflossingsverplichtingen.

Herverzekering leverancierskrediet

Veel MKB-bedrijven – zoals winkels en horecazaken – worden bevoorraad op basis van leverancierskrediet. Bedrijven hebben dan 30 of 60 dagen om hun producten aan de leverancier te betalen. Een leverancier sluit een verzekering bij een kredietverzekeraar af tegen het risico dat zijn factuur onverhoopt niet betaald wordt.

Door de coronacrisis worden verzekeraars geconfronteerd met toenemende betalingsrisico’s. Zij voelen zich gedwongen de toegekende verzekeringslimieten op bedrijven te verlagen of in te intrekken. Dit zou 75.000 bedrijven kunnen treffen.

Herverzekering

Om dat te voorkomen, grijpt de overheid in en gaat de overeenkomsten van de leveranties herverzekeren, tot een bedrag van in totaal € 12 miljard. Hiermee blijft er vertrouwen in de verschaffing van leverancierskrediet en worden bedrijven bevoorraad.

Er komt een herverzekering met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020 voor geheel 2020 die snel in werking moet treden waardoor kredietverleners niet genoodzaakt zijn op korte termijn hun limieten naar nihil te verlagen.

Alle in Nederland actieve kredietverzekeraars die onder toezicht staan komen in aanmerking voor een overeenkomst. De gehele portefeuille van de verzekeraars wordt herverzekerd, zowel de goede als de slechte risico’s. Onderdeel van de overeenkomst is dat er niets veranderd wordt aan de lopende verzekeringsovereenkomsten. Voor nieuwe polissen gaan waarschijnlijk iets minder gunstige (herverzekerings)voorwaarden gelden, omdat de risico’s inmiddels zijn verslechterd, maar ook die voorwaarden zijn gelijk voor alle verzekeraars.

De verzekeraars hebben geen directe voordelen van de herverzekering door de staat. Voor het herverzekeren ontvangt de staat alle premies die normaal gesproken aan de verzekeraars ten deel zouden vallen. De verzekeraars ontvangen alleen een kostendekkende vergoeding voor de uitvoeringskosten en de administratieve kosten voor het afsluiten van de (onderliggende) verzekeringen.

De garantie die hiervoor nodig is zal naar huidige inschatting circa € 12 miljard zijn. De te verwachten schade voor de staat bedraagt op basis van een eerste grove raming ongeveer € 1 miljard. Bij deze schatting is ingecalculeerd dat de premies naar de staat gaan.

Formele uitwerking

De maatregel moet nog in detail worden uitgewerkt. Ook de Europese Commissie moet toestemming geven.

Overbruggingskrediet startups, scale-ups en non-bancair gefinancierd MKB

Een brede groep bedrijven wordt met eigen vermogen of risicodragend vermogen gefinancierd. Dat zijn onder andere startups en scale-ups, waarbij de verwachting is dat naast de behoefte aan overbruggingskrediet ook eigen vermogen een rol zal spelen.

Daarnaast er is ook veel non-bancair gefinancierd MKB dat zich gefinancierd heeft door bijvoorbeeld ingehouden winst. Deze bedrijven hebben doorgaans wel een gezonde balans, maar hebben geen bankrelatie en kunnen door de coronacrisis moeilijk overbruggingskrediet van een bank krijgen.

De Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) zullen op verzoek van het kabinet deze overbruggingskredieten verstrekken. Het kabinet stelt hiervoor als eerste tranche € 100 miljoen ter beschikking.

Via de vereiste cofinanciering bij de grotere overbruggingskredieten vanuit onder andere de bestaande ROM-fondsen (waarvan de verschillende provincies ofwel meerderheidsaandeelhouder dan wel enig aandeelhouder zijn) is al sprake van provinciale cofinanciering. Er is intensief contact met de provincies over hoe de financiële slagkracht vergroot kan worden. De Europese Commissie moet eerst toestemming geven. De verwachting is dat de regeling in de vierde week van april toegankelijk zal zijn.

Verruiming exportkredietverzekering

Door de coronacrisis wordt ook de internationale handel flink geraakt. Om de internationale handel zoveel mogelijk op gang te houden verruimt de Nederlandse Staat vanaf 25 maart 2020 de mogelijkheden voor exportkredietverzekeringen. De maatregelen helpen voorkomen dat bedrijven grotere betalingsrisico’s ondervinden, in extra liquiditeitsproblemen komen of internationale projecten noodgedwongen moeten stilleggen.

Exportkredietverlening

De nieuwe maatregelen voor verruiming van exportkredieten komen er kortgezegd op neer dat ook kortlopende exportkredietverzekeringen worden gedekt (eerder alleen langer dan twee jaar, nu ook korter dan twee jaar). Daarnaast zijn de mogelijkheden voor binnenlandse dekking verruimd, is het landenbeleid flexibeler en is voor meer landen dekking te verkrijgen. Ook zijn procedures verruimd, doorlooptijden versneld en wordt een hoger percentage werkkapitaal gedekt. Door het maatregelenpakket kunnen door bedrijven meer risico’s worden afgedekt dankzij de staatsgaranties. Zo blijft de internationale handel beter op gang en kan verlies van export en banen worden voorkomen. Dit in aanvulling op het noodpakket banen en economie dat het kabinet heeft gepresenteerd.

Actieplan internationale samenwerking

Naast verruiming van de exportkredietverlening hebben overheid en bedrijfsleven afgesproken om in Europees verband te werken aan onder meer het tegengaan van protectionisme (zoals bij de handel in medische goederen), een soepeler grensoverschrijdend vervoer van essentiële goederen binnen de Europese Unie (EU), soepel verkeer van arbeidsmigranten, het maximaal benutten van de financiële middelen die er beschikbaar komen (onder andere vanuit de EU, de EBRD, de Wereldbank en het IMF) en het zoveel mogelijk open houden van internationale vervoersstromen.

Alle maatregelen moeten ook een plek krijgen in een nieuw actieplan dat nog wordt uitgewerkt en waarbij ook vooruit gekeken wordt naar de fase na de acute corona-crisis.

Banken geven uitstel voor zakelijke financieringen

Banken bieden kleinere ondernemingen in alle sectoren die in de kern gezond zijn, zes maanden uitstel van aflossing op hun lopende leningen. Het gaat om zakelijke financieringen tot € 2,5 miljoen. Het gaat hierbij om een minimumregeling waarop banken aanvullend maatwerk kunnen leveren voor zakelijke klanten. Hiertoe hebben ABN AMRO, ING, Rabobank, de Volksbank, Triodos Bank en BNG Bank besloten. Overigens hebben enkele grote banken aangekondigd voorlopig geen dividend uit te keren aan hun aandeelhouders. Dat geldt ook als banken geen aandeelhouders hebben, maar gefinancierd zijn met certificaten. Rente op certificaten wordt voorlopig niet uitbetaald.

Uitstel van betaling Vroege Fase Financiering (VFF) en Innovatiekrediet (IK)

De overheid verstrekt via de Vroege Fase Financiering (VFF) en het Innovatiekrediet (IK) leningen aan innovatieve en startende ondernemers. Door de coronacrisis zijn de voorwaarden van de betalingsverplichtingen versoepeld.

Vroege Fase Financiering (VFF)

Een ondernemer die gebruikt maakt van de VFF kan voor zes maanden uitstel aanvragen van aflossing van de lening en opschorting van aanhangende rente.
Dit uitstel gaat in per 1 april 2020 en schuift door naar 1 oktober 2020. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) stuurt de ondernemer een brief met uitleg over de wijze van aanvragen van het uitstel.

Innovatiekrediet (IK)

Een ondernemer die gebruikt maakt van het IK, krijgt zes maanden uitstel van rentebetalingen en aflossingen. Dit uitstel gaat in per 1 april 2020 en duurt tot en met 30 september 2020. De rente die geldt voor het IK wordt tijdens deze zes maanden opgeteld bij het uitstaande saldo. Het aflossingsschema dat per 1 april 2020 geldt, schuift door naar 1 oktober 2020. Een ondernemer hoeft dan niet op 1 oktober 2020 in één keer de uitgestelde rente- en aflossingstermijnen te betalen. Deze termijnen betaalt hij later door de verlenging van het aflossingsschema. Een ondernemer is niet verplicht hiervan gebruik te maken. Staan er voor een ondernemer in de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2020 rente- en aflossingsbetalingen gepland, dan stuurt de RVO een brief met uitleg.

Pensioenuitvoerders bieden coulance bij betaling pensioenpremies

Werkgevers die door de coronacrisis zijn getroffen kunnen zich melden voor een mogelijke betalingsregeling bij pensioenuitvoerders. Ook is het maken van afspraken over een soepeler betalingstermijn bespreekbaar, binnen de wettelijke mogelijkheden. Daarnaast kan het invorderingsbeleid bij het innen van de premies worden versoepeld, bijvoorbeeld door geen incassobureaus in te schakelen of administratieve boetes op te leggen.

Dat hebben de Stichting van de Arbeid, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars afgesproken. Aangegeven wordt dat de problemen per werkgever en sector verschillen. Er wordt daarom maatwerk geboden, maar de ruimte voor dat maatwerk is op dit moment nog beperkt, door wettelijke voorschriften.

Financiële maatregelen zorgaanbieders Zvw en Wlz

Zorgaanbieders en zorgprofessionals zetten alle zeilen bij om tijdens de coronacrisis tijdig noodzakelijke zorg te geven. Zorgverzekeraars en zorgkantoren hebben daarom een pakket maatregelen getroffen zodat de zorgverlening niet onnodig wordt belast met financiële onzekerheden of administratieve beslommeringen.

Doelstelling tijdelijke maatregelen

Het doel is de continuïteit van zorg op de korte termijn te garanderen en op langere termijn te borgen. Daarbij is het uitgangspunt dat een negatief effect van de coronacrisis op de financiële positie van een zorgaanbieder wordt geneutraliseerd. De geboden maatregelen zijn tijdelijk en moeten op korte termijn knelpunten in de uitvoering oplossen.

Basisinfrastructuur en (tijdelijke) verpleeghuiszorg

Voor zorgaanbieders en zorgverleners die direct betrokken zijn bij de hulp aan besmette patiënten (de basisinfrastructuur) en zorg voor kwetsbare mensen geldt het volgende:

  • Zorgaanbieders worden via adequate bevoorschotting door iedere zorgverzekeraar voorzien in de benodigde liquiditeit, passend bij de omvang van de contractueel overeengekomen omzet of, waar die ontbreekt, een zo goed mogelijke raming daarvan (bij een situatie zonder corona-uitbraak). Voor deze zorgaanbieder geldt de continuïteitsbijdrageregeling niet.
  • De extra kosten van de corona-aanpak – na (impliciete) goedkeuring binnen het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ) en in afstemming met de meest betrokken zorgverzekeraar(s) – worden door alle zorgverzekeraars vergoed. Dit geldt ook voor kosten die redelijkerwijs in lijn liggen met de binnen het ROAZ gemaakte afspraken.
  • Zorgverzekeraars en zorgkantoren zoeken met de betrokken instellingen naar een passende oplossing voor de gevolgen van onderbenutting van capaciteit of verschuivingen binnen het zorgaanbod en beschikbaar te houden voor (toekomstige) zorgvraag. De inzet daarbij is dat de gevolgen van de coronacrisis voor de financiële positie in 2020 van deze zorgaanbieders geneutraliseerd worden.

Hiermee richten de zorgverzekeraars en zorgkantoren zich in eerste instantie op zorgaanbieders in de basisinfrastructuur en (tijdelijke) verpleeghuiszorg.

Zorgverzekeringswet (Zvw)

Gecontracteerde zorg
Ook alle andere zorgaanbieders die met een zorgverzekeraar een contract hebben afgesloten, worden ondersteund met maatregelen, gericht op de beschikbaarheid en continuïteit van de zorg op korte en langere termijn. De concrete uitwerking van de maatregelen vergt echter de nodige tijd.

Op hoofdlijnen houden de maatregelen het volgende in:

  • Voor de periode 1 maart tot 1 juni 2020 ontvangen zorgaanbieders die in financiële problemen (dreigen te) komen ondersteuning, in de vorm van een continuïteitsbijdrage of vooruitbetaling (zie hierna).
  • Nader te bepalen extra kosten die zorgaanbieders door de coronacrisis moeten maken, kunnen worden gedeclareerd.
  • Het streven is naar uniforme regelingen voor alle zorgverzekeraars en alle soorten zorgaanbieders.

De randvoorwaarden die daarbij gelden zijn op hoofdlijnen:

  • Zorgaanbieders die van deze ondersteuning gebruik gaan maken, zien daarmee af van een beroep op de algemene regelingen van het noodpakket banen en economie voor bedrijven en zelfstandigen. Dit geldt niet voor het deel van de zorgkosten dat niet door de zorgverzekeraar wordt vergoed op basis van de zorgverzekering en/of de aanvullende ziektekostenverzekering. Het geldt ook niet voor het deel van de omzetdaling dat mogelijk resteert na aftrek van vergoeding door zorgverzekeraars. Het gebruik maken van fiscale regelingen is wel toegestaan.
  • Zorgaanbieders die van de regeling gebruik maken committeren zich eraan dat zij zoveel mogelijk  – onder inachtneming van de overheidsmaatregelen – de reguliere zorg blijven leveren met aandacht voor doelmatigheid en gepast gebruik en dat zij alle zorg goed blijven registreren. Binnen de bestaande overheidsmaatregelen moet aantoonbaar worden ingezet op maximale inzet van zorg op afstand. Daarnaast moeten zorgaanbieders in de periode van vraaguitval in het reguliere werk, waar nodig beschikbaar zijn voor het bieden van noodzakelijke zorg, zowel door personele inzet als via faciliteiten en hulpmiddelen.
  • Zorgaanbieders die gebruik maken van deze regeling moeten zowel op de korte als op de langere termijn instandhouding van de capaciteit nastreven (personeel en middelen).
  • Uitgangspunt is dat de combinatie van deze maatregelen met het inlopen van wachtlijsten na de coronacrisis voor de betrokken zorgaanbieders niet leidt tot een financieel voordeel.

Continuïteitsbijdrage
De continuïteitsbijdrageregeling staat open voor alle zorgaanbieders (met of zonder zorgcontract) die zorg verlenen die op dit moment valt onder de basisverzekering of de aanvullende zorgverzekering. Inzet van zorgverzekeraars is dat hun verzekerden zowel tijdens als na afloop van de coronacrisis een beroep kunnen blijven doen op de zorg, waarvoor zij verzekerd zijn. Alleen zorg door of via opticiens en niet-gecontracteerde audiciens is uitgesloten van de continuïteitsbijdrageregeling.

De exacte voorwaarden van de continuïteitsbijdrageregeling worden nog bekend gemaakt, maar luiden op hoofdlijnen als volgt:

  • Het streven is dat zorgaanbieders vanaf begin mei een continuïteitsbijdrage kunnen aanvragen.
  • De regeling start per 1 maart 2020 en loopt tot en met 30 juni 2020. De regeling kan verlengd worden als zorgverzekeraars dat noodzakelijk achten.
  • De eerste uitbetaling vindt plaats in de maand mei (over de periode vanaf 1 maart) en vervolgens elke maand zolang de regeling van kracht is.
  • De continuïteitsbijdrage wordt toegekend om gedurende de coronacrisis de capaciteit van het zorgaanbod in stand te houden en beoogt een redelijke tegemoetkoming te geven voor gemiste dekking van doorlopende kosten.
  • De hoogte van de bijdrage wordt vastgesteld als een percentage van de door zorgverzekeraars vergoede omzet. Het percentage wordt per sector door de zorgverzekeraars vastgesteld, mede op advies van een onafhankelijke partij. Het is afhankelijk van de vaste lasten van de sector en de mate waarin de sector nog in staat is om zorg te leveren. Zorgverzekeraars Nederland verwacht dat de continuïteitsbijdrage zal liggen tussen de 60% en 85% van de zorgkosten die onder normale omstandigheden door zorgverzekeraars wordt vergoed.
  • De continuïteitsbijdrage hoeft niet te worden terugbetaald, maar wordt, voor zover billijk en mogelijk, wel verrekend met de productie gedurende de maanden dat deze van toepassing is en met de eventuele hogere productie als gevolg van inhaaleffecten daarna.
  • De zorgaanbieder mag geen aanspraak doen op regelingen uit het noodpakket banen en economie dat het kabinet voor de coronacrisis heeft opgesteld, behalve voor het deel omzetdaling dat mogelijk resteert na aftrek van de vergoeding uit de continuïteitsbijdrageregeling.

Vooruitbetaling
Voor zorgaanbieders in bepaalde branches is een aanvullende vooruitbetalingsregeling getroffen, die er in voorziet dat al eerder dan eind mei 2020 een betaling van de continuïteitsbijdrage wordt gedaan, om te voorkomen dat financiële problemen ontstaan.

Het gaat om de volgende branches:

  • eerstelijns laboratoria;
  • mondzorg;
  • kraamzorg;
  • fysiotherapie;
  • oefentherapie;
  • ergotherapie;
  • wijkverpleging;
  • zittend ziekenvervoer;
  • zelfstandige behandelcentra in de medisch specialistische zorg.

Zorgaanbieders uit deze branches met een zorgcontract kunnen, als dat echt noodzakelijk is, vanaf
14 april 2020 een eenmalige vooruitbetaling aanvragen via VECOZO. Voor sommige branches kan een andere aanvraagprocedure gelden. De vooruitbetaling hoeft dus maar op één plaats te worden aangevraagd en wordt vervolgens door de afzonderlijke zorgverzekeraars uitbetaald.

De exacte voorwaarden van de vooruitbetaling worden nog bekend gemaakt, maar luiden op hoofdlijnen als volgt:

  • De vooruitbetaling bedraagt in beginsel 70% van de gemiddeld door zorgverzekeraars vergoede maandomzet.
  • Vanaf 20 april 2020 wordt de vooruitbetaling uitgekeerd, mits aan de voorwaarden wordt voldaan. Het streven is uitbetaling binnen een week.
  • Alleen bedragen vanaf € 250 euro per maand per zorgverzekeraar worden uitbetaald.
  • Een toegekende vooruitbetaling wordt direct verrekend met alle te ontvangen declaraties, alle vordering(en) die nog ontstaan op de zorgaanbieder en/of de continuïteitsbijdrage.
  • De zorgaanbieder moet zijn declaraties vanaf maart 2020 gedurende het verdere kalenderjaar 2020 rechtstreeks indienen bij de zorgverzekeraar. Het is alleen toegestaan declaraties naar de verzekerde te sturen voor geleverde, maar op basis van de polisvoorwaarden niet vergoede zorg.

Zorgaanbieders uit andere branches dan hierboven genoemd die op korte termijn financiële problemen verwachten, kunnen contact opnemen met hun primaire zorgverzekeraar.

Niet-gecontracteerde zorg
Zorgaanbieders die geen contract hebben afgesloten kunnen soortgelijke problemen ondervinden. Omdat het maken van een centrale regeling niet goed mogelijk is, worden deze zorgaanbieders geadviseerd in eerste aanleg wel een beroep te doen op de algemene regelingen van het noodpakket banen en economie voor bedrijven en zelfstandigen. Daarnaast kunnen deze zorgaanbieders een beroep doen op de continuïteitsbijdrage en de vooruitbetaling. De aanvraagprocedure voor een vooruitbetaling aan een niet-gecontracteerde zorgaanbieder is op hoofdlijnen hetzelfde als die voor een gecontracteerde zorgaanbieder. Wel moet voor het kalenderjaar 2020 een tijdelijke contractuele relatie met de zorgverzekeraar worden aangaan en een Ultimate Beneficial Owner‐verklaring overgelegd. Ook moet de niet-gecontracteerde zorgaanbieder een bepaald minimum aan zorgprestaties hebben geleverd in het eerste kwartaal van 2020. In het buitenland geleverde zorg is uitgesloten.

Administratieve vereisten
Alle zorgverzekeraars zorgen ervoor dat:

  • Declaraties voor verleende zorg zo snel mogelijk worden betaald.
  • Het aanvraagproces voor machtigingen waar mogelijk nog verder wordt versneld.
  • Controles gepast worden ingezet, rekening houdend met de genomen crisismaatregelen, zodat zorgtaken nu niet onnodig worden belemmerd.

Wet langdurige zorg (Wlz)

Alle aanbieders van langdurige zorg (waaronder ouderenzorg, zorg voor mensen met een beperking en zorg voor mensen met een psychische stoornis) hebben in toenemende mate te maken met financiële onzekerheden door de coronacrisis. Enerzijds doordat veel zorgaanbieders met hogere en andere kosten worden geconfronteerd, anderzijds is sprake van teruglopende inkomsten door bijvoorbeeld vraaguitval of gedwongen sluiting van dagbesteding.

Zorgkantoren bieden op vier fronten duidelijkheid voor zorgaanbieders.

Financiering van extra kosten
Zorgaanbieders maken de komende periode extra kosten voor het leveren van zorg. Deze extra kosten kunnen straks vergoed worden via een nieuwe regeling van de NZa (vergelijkbaar met de al bestaande BRMO‐beleidsregel). De gemaakte extra kosten, die voortvloeien uit de coronacrisis voor het leveren van zorg binnen de Wlz, worden apart geregistreerd door zorgaanbieders. Waar nodig kan de bevoorschotting hierop worden toegesneden.

Compensatie van omzetderving
Zorgaanbieders die te maken hebben met teruglopende omzet door de coronacrisis worden hiervoor gecompenseerd. De nadere uitwerking hiervan volgt. Het uitgangspunt is hierbij dat in elk geval tot 1 juni 2020 wordt vergoed conform de omzet in het contract of, in afwezigheid daarvan, een zo goed mogelijke inschatting daarvan als er geen coronacrisis zou zijn geweest.

Zorgkantoren vertrouwen erop dat zorgaanbieders doorlopend verkennen hoe zij een eventuele omzetdaling kunnen beperken, en daarmee de professionele inzet zo goed mogelijk kunnen benutten, binnen hun organisatie dan wel op andere plaatsen waar acute behoeften bestaan. Voor deze zorgaanbieders geldt de continuïteitsbijdrageregeling niet.

Op peil houden van liquiditeit
Zorgkantoren zijn bereid tot het opzetten van of doorbetaling van voorschotten zoals een zorgaanbieder deze bij een situatie zonder uitbraak van het coronavirus zou ontvangen.

Tijdelijke versoepeling van verantwoording
Het is goed denkbaar dat zorgaanbieder de reguliere afspraken voor verantwoording tijdens de coronacrisis niet altijd kunnen opvolgen. Bijvoorbeeld afspraken rondom Treeknormen, nu verpleeghuizen prioriteit geven aan uitstroom van het ziekenhuis. Of aan zorg die in een andere vorm geleverd wordt (digitaal in plaats van face‐to‐face).

De NZa en zorgkantoren gaan uit van een pragmatisch ingestoken verantwoording van de gemaakte afspraken in deze crisisperiode. Dit bevordert dat zorgpersoneel op een andere wijze kan werken en ook op andere plekken inzetbaar is voor acute nood.

Op de kortst mogelijke termijn worden de bovenstaande vier punten uitgewerkt, waarbij zoveel mogelijk gezocht zal worden naar uniformiteit in de uitvoering. De zorgaanbieder hoeft niet op die uitwerking te wachten en kan nu al uitgaan van de beschreven oplossingen.

Wlz-maatregelen gaan voor maatregelen uit noodpakket banen en economie
Bij deze uitwerking is gekozen is voor financiële zekerheid binnen de Wlz en wordt zoveel mogelijk helderheid geboden binnen het contact en contract tussen het zorgkantoor en zorgaanbieder. Dit betekent dat deze maatregelen toepasbaar zijn op het zorgaanbod voor mensen met een Wlz‐indicatie. Dit houdt ook in dat de Wlz voorliggend is aan het noodpakket banen en economie van het kabinet. Zorgaanbieders moeten eerst een beroep doen op de Wlz, voordat zij een beroep doen op het noodpakket, in het bijzonder het vangnet van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW).

Ook voor derden die door zorgaanbieders worden ingeschakeld voor bijvoorbeeld de dagbesteding, geldt dat in beginsel binnen de publiek gefinancierde contractuele relatie de oplossing moet worden gezocht.

Persoonsgebonden budget (pgb)

De gevolgen van de coronacrisis voor zowel cliënten als zorgaanbieders van een persoonsgebonden budget (pgb) zijn ingrijpend. Het ministerie van VWS heeft in samenwerking met Zorgverzekeraars Nederland en de zorgkantoren een tijdelijk pakket aan maatregelen voor budgethouders en hun zorgverleners in de Wlz opgesteld.

Andere zorgaanbieders

Onderkend wordt dat ook veel andere zorgaanbieders worden geraakt. In afstemming met andere partijen, waaronder de overheid en de banken, wordt daarom zo snel mogelijk met de branche- en beroepsorganisaties besproken wat nodig is om ook op die terreinen beschikbaarheid van noodzakelijke en goede zorg voor de verzekerden te waarborgen.

Na 1 juni 2020

Uitwerking van eventuele maatregelen voor de periode na 1 juni 2020 vraagt meer tijd en is ook sterk afhankelijk van het verloop van de coronacrisis.

Financiële maatregelen jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning

De coronacrisis vraagt in het bijzonder een uiterste inspanning van zorgorganisaties en professionals. Het Rijk en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) zien dat professionals kijken naar alternatieve vormen om inwoners te ondersteunen, als de beperkingen die het RIVM heeft geadviseerd de reguliere werkwijze in de weg staat.

Financiële gevolgen

Het Rijk en de VNG willen zorgaanbieders maximaal comfort bieden voor de financiële gevolgen van de pandemie, zodat professionals kunnen doen wat nodig is. Die financiële gevolgen zijn enerzijds doordat zorgaanbieders met hogere en andere kosten worden geconfronteerd, anderzijds omdat vormen van zorg geen doorgang kunnen vinden.

Financiële ruimte tot 1 juni 2020

Het Rijk doet daarom, in afstemming met de VNG, een zeer dringend beroep op gemeenten om hun aanbieders van jeugdhulp, jeugdbescherming, jeugdreclassering en maatschappelijke ondersteuning financieel zekerheid en ruimte te bieden, van 1 maart 2020 tot in elk geval 1 juni 2020. Aanbieders hebben dat nodig om in deze fase van de crisis continuïteit van zorg en ondersteuning te kunnen garanderen en professionals in te zetten daar waar ze het nu het meest nodig is. Ook blijft zo voldoende capaciteit beschikbaar voor toekomstige jeugdzorg en ondersteuning. Overigens zijn gemeenten wettelijke verplicht de continuïteit van zorg en ondersteuning, onder alle omstandigheden – dus ook tijdens de coronacrisis – te waarborgen. De verlening van zorg en ondersteuning leidt soms tot meerkosten als gevolg van de coronacrisis, in het bijzonder door het volgen van de richtlijnen van het RIVM. De meerkosten die direct voortkomen uit het volgen van deze maatregelen zullen vergoed worden. Het is van belang deze meerkosten op een eenvoudige manier in beeld te brengen. Het Rijk zal gemeenten compenseren voor de meerkosten die zij aan hun aanbieders betalen voor de extra maatregelen vanwege de coronacrisis.

Verantwoording

Professionals zullen de komende tijd door de coronacrisis op een andere manier zorg verlenen of op een andere plek werkzaam zijn omdat dat nodig is. Dit vraagt om ruimte en soepelheid in de verantwoording. Het Rijk is bereid dit te ondersteunen, waar dat nodig en mogelijk is.

Door vraaguitval of verminderde inzetbaarheid van personeel (door verhoogd ziekteverzuim) zal de omvang van zorg en ondersteuning tijdelijk feitelijk afwijken van de normale situatie. Het is nu van belang dat de financiering van de omzet onverminderd plaatsvindt, zoals die contractueel overeengekomen was dan wel een zo goed mogelijke inschatting daarvan. Met als doel acute liquiditeitsproblemen te voorkomen en de gevolgen van de coronacrisis voor de financiële positie in 2020 van deze zorgaanbieders te neutraliseren.

Van zorgaanbieders wordt verwacht dat zij zich inspannen om de professionele inzet zo goed mogelijk te benutten (binnen hun organisatie dan wel op andere plaatsen waar de acute behoeften bestaat) en daarmee de eventuele omzetdaling te beperken. Gemeenten zullen dat bevorderen door daarover actief in gesprek te gaan met de aanbieders.

Voor de zomer gaan Rijk en gemeenten in gesprek over de compensatiemogelijkheden van de effecten die optreden na afloop van de coronacrisis. Dan gaat het om de per saldo extra uitgaven over het geheel van 2020 voor zover die gerelateerd kunnen worden aan een evident uitstel van noodzakelijke zorg. Hierbij wordt ook rekening gehouden met wat onder de gebruikelijke omzet kan worden gerealiseerd.

Rechtmatigheid

Het Rijk zal in overleg met de VNG, branches en accountants van zowel gemeenten als aanbieders nader uitwerken hoe bovenstaande uitzonderlijke situaties zich kunnen vertalen naar zo veel mogelijk rechtmatige uitgaven, met aandacht voor minimalisering van de daarmee gemoeide administratieve lasten.

Persoonsgebonden budget (pgb)

Ook zorgaanbieders die zorg leveren die gefinancierd wordt via een persoonsgebonden budget (pgb) nemen een belangrijke positie in het gemeentelijke zorglandschap en worden ook getroffen door de huidige crisis. De meerkosten die voor gecontracteerde aanbieders vergoed zal worden, zal ook vergoed worden voor pgb-zorgaanbieders.

Na 1 juni 2020

Rijk en gemeenten blijven in gesprek om tijdig te bepalen of en zo ja maatregelen in welke vorm na 1 juni 2020 gecontinueerd worden. Dit is mede afhankelijk van hoe de coronacrisis zich ontwikkelt.

Financiële maatregelen culturele en creatieve sector

Het kabinet heeft voor de culturele en creatieve sector een aantal specifieke coulancemaatregelen getroffen om aan door de coronacrisis ontstane financiële problemen tegemoet te komen.

Opschorting huur rijksgesubsidieerde musea

Het Rijksvastgoedbedrijf schort voor rijksgesubsidieerde musea de huur van panden voor drie maanden op. Het kabinet roept gemeenten en provincies op dat voorbeeld te volgen en te onderzoeken hoe zij instellingen tegemoet kunnen komen in de betaling van huur.

Basisinfrastructuur en Erfgoedwet

Voor alle instellingen die subsidie ontvangen via de basisinfrastructuur of de Erfgoedwet gelden de volgende maatregelen:

  • De deadline voor het indienen van de jaarverantwoording over 2019 verschuift van 1 april naar 1 juni 2020.
  • Wanneer de jaarverantwoording om goede redenen – bijvoorbeeld wanneer de accountant meer tijd nodig heeft – later dan 1 juni wordt ingediend, heeft dat geen consequenties.
  • Subsidies blijven doorlopen en bij de vaststelling van de subsidie voor de basisinfrastructuur 2017-2020 wordt de subsidie niet gekort als voorgenomen prestaties niet worden gehaald vanwege de coronacrisis. Gemeenten hebben laten weten deze maatregel te volgen.
  • Met projectsubsidies en gesubsidieerde activiteiten wordt coulant omgegaan. Deze worden niet teruggevorderd als prestaties niet worden gehaald vanwege de coronacrisis. Er is speciale aandacht voor initiatieven van vrijwilligers die tijdelijk worden stilgelegd, waardoor subsidieaanvragen soms later worden ingediend.
  • Vanaf 2019 zijn voor instellingen in de basisinfrastructuur de voorschriften over het bestemmingsfonds OCW afgeschaft. Zij hoeven daardoor geen bestemmingsfonds OCW meer aan te houden. De reserves die zij daarin hebben opgebouwd mogen worden ingezet voor de algemene reserve en zijn vanuit daar vrij inzetbaar voor de kernactiviteiten van de instelling. Dit geldt ook voor toekomstige positieve resultaten.
  • Instellingen in de basisinfrastructuur krijgen al op korte termijn de beschikking over hun subsidie voor het derde kwartaal van 2020, zodat zij over meer liquide middelen beschikken en verplichtingen aan vooral freelancers en zzp’ers kunnen nakomen. Gemeenten inventariseren wat de behoefte is bij de door hen gesubsidieerde instellingen om de bevoorschotting te wijzigen.
  • Alle instellingen die een aanvraag hebben ingediend voor de basisinfrastructuur in de periode 2021-2024 worden vrijgesteld om bij hun aanvraag de jaarcijfers 2019 na te zenden. De Raad voor Cultuur gaat bij de beoordeling van de aanvragen uit van de gegevens zoals die zijn ingediend voor de uitbraak van het coronavirus. Pas na het advies op 4 juni 2020 wordt gekeken naar de gevolgen hiervan.

Rijkscultuurfondsen

De zes rijkscultuurfondsen – Fonds Podiumkunsten, Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Mondriaan Fonds, Nederlands Filmfonds, Nederlands Letterenfonds, Fonds voor Cultuurparticipatie – nemen alle bovengenoemde coulancemaatregelen over voor de instellingen die zij ondersteunen. Dat geldt ook voor de beoordeling van de aanvragen voor meerjarige subsidies voor de periode 2021-2024.

De rijkscultuurfondsen hebben – binnen de bandbreedte van hun bestaande budgetten, inclusief eventuele eigen reserves dan wel onderuitputting van regelingen door de coronacrisis – de ruimte om sectorspecifieke maatregelen uit te werken en toe te passen. Deze maatregelen zullen zoveel mogelijk aansluiten op de bovenstaande coulancemaatregelen en/of passend zijn bij de sectorspecifieke noden.

Private fondsen

De vier grote private cultuurfondsen –Prins Bernhard Cultuurfonds, VSBfonds, Fonds 21, VandenEndeFoundation – onderschrijven de strekking van bovengenoemde coulancemaatregelen en bezien hoe deze binnen de eigen praktijk mogelijk zijn. Daarnaast onderzoeken deze fondsen met welke (extra) maatregelen zij de sector kunnen ondersteunen.

Eigenaren rijksmonumenten

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft de volgende coulancemaatregelen getroffen:

  • Op verzoek wordt het ritme van bevoorschotting van lopende restauratiesubsidies aangepast.
  • De termijn van verantwoording van subsidies wordt op verzoek uitgesteld.
  • Subsidieaanvragen voor de Subsidie instandhouding rijksmonumenten (Sim) die door de huidige omstandigheden incompleet zijn aangeleverd kunnen later worden aangevuld.

Het Nationaal Restauratiefonds verleent op verzoek van zakelijke klanten zes maanden uitstel van aflossing. Deze coulancemaatregel geldt ook voor een particuliere klant die aantoonbaar nadelige gevolgen ondervindt van de coronacrisis.

Verkochte toegangskaarten

Momenteel wordt onderzocht hoe de terugbetaling van gekochte kaartjes in de cultuur- en evenementensector vormgegeven kan worden. Gedacht wordt aan terugbetaling in de vorm van vouchers. Het kabinet roept het publiek op om de culturele en creatieve sector te steunen door niet meteen geld terug te vragen voor gekochte kaartjes en steun te betuigen – bijvoorbeeld door vriend van een filmhuis, een muziekgezelschap of een theater te worden.

Financiële maatregelen mediasector

De gevolgen van de coronacrisis zijn voor de mediasector groot. Inkomsten lopen terug, terwijl de
vraag naar informatie toeneemt. Lokale media zijn extra kwetsbaar, omdat zij sterk afhankelijk zijn van reclame-inkomsten vanuit het lokale MKB-bedrijf en vaak nauwelijks financiële reserves hebben.

Naast de algemene maatregelen uit het noodpakket banen en economie heeft het kabinet twee specifieke maatregelen voor de mediasector getroffen.

Tijdelijke Steunfonds voor Lokale Informatievoorziening

Organisaties in de mediasector ervaren sinds medio maart 2020 een grote terugval van advertentie-inkomsten. Deze terugval vindt plaats bij publieke en private partijen, van televisie tot dagblad en van landelijk tot regionaal en lokaal niveau. Tegelijkertijd zien mediaorganisaties – en zeker nieuwsmedia – hun bereik groeien. Kortom: inkomsten lopen terug, vraag en kosten nemen toe.

Huis-aan-huis-bladen/lokale publieke omroepen
Vooral huis-aan-huiskranten en lokale publieke omroepen worden hard getroffen, met direct gevaar voor de continuïteit.

Het kabinet levert een financiële bijdrage om de lokale informatievoorziening door huis-aan-huiskranten en lokale publieke omroepen op peil te houden. Op 11 april 2020 gaat het Tijdelijke Steunfonds voor Lokale Informatievoorziening (hierna: het Steunfonds) van start met een eenmalige kabinetsbijdrage van maximaal € 11 miljoen. Deze bijdrage is inclusief uitvoeringskosten bij het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (SvdJ). Het geld is vrijgemaakt door andere in 2020 gereserveerde middelen voor de mediasector te heralloceren.

Eenmalige bijdrage uit Steunfonds
De hoogte van de bijdrage is voor de huis-aan-huiskranten afhankelijk van de oplage en voor de lokale publieke omroepen van het aantal huishoudens in het verzorgingsgebied. De eenmalige bijdrage kan hiermee van enkele duizenden euro’s oplopen tot enkele tienduizenden euro’s per aanvrager in totaal voor drie maanden. Er geldt een ondergrens van € 4000 per aanvrager in totaal voor drie maanden.

De ontvanger kan de steunbijdrage naar eigen inzicht inzetten om de noodzakelijke kosten voor continuering van de informatievoorziening te dekken.

Aanvraag
Huis-aan-huiskranten en lokale publieke omroepen kunnen vanaf 11 april 2020 tot en met 19 april 2020 uit het Steunfonds bij het SvdJ een eenmalige bijdrage aanvragen voor een periode van drie maanden: 15 maart 2020 tot en met 15 juni 2020. Het SvdJ streeft ernaar om in de week van 27 april 2020 een gehonoreerde aanvraag over te maken.

Toekenning
De bijdrage wordt aanvankelijk als krediet toegekend. Achteraf zal door het SvdJ beoordeeld worden of het geld op de juiste manier besteed is. Voor zover dit zo is, zal het krediet omgezet worden in een subsidie en hoeft de ontvanger dit niet terug te betalen.

Coulancemaatregelen mediasector

Mediabegroting
Het kabinet treft daarnaast een pakket coulancemaatregelen voor mediaorganisaties die direct vanuit de mediabegroting worden gefinancierd:

  • De deadline voor het indienen van de jaarverantwoording over 2019 verschuift van 1 mei 2020 naar 1 juni 2020.
  • Met subsidies vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) voor projecten die in 2020 lopen, wordt coulant omgegaan. Als bij de verantwoording blijkt dat de voorgenomen activiteiten niet volledig uitgevoerd konden worden door de coronacrisis, is dit reden voor overleg. Hierbij is het uitgangspunt dat al gemaakte kosten niet worden teruggevorderd.
  • Als dat nodig is zorgt het ministerie in 2020 voor spoedige bevoorschotting van mediaorganisaties om de liquiditeit op peil te houden.
  • Als de deadline van 15 september 2020 voor media-instellingen voor het indienen van de begroting voor 2021 te krap blijkt door de coronacrisis, kan uitstel worden verleend.

Fondsen
Het SvdJ en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (FBJP) subsidiëren in opdracht van OCW veel journalistieke projecten. Ook deze fondsen hebben coulancemaatregelen getroffen.

Het SvdJ biedt de volgende coulance:

  • Binnen de lopende regeling Onderzoeksjournalistiek (kalenderjaar 2020) mag de projectduur worden verlengd en/of mogen uren anders worden ingezet als dit nodig is om beter te kunnen voorzien in nieuws- en informatievoorziening rond de coronacrisis.
  • Binnen de regelingen Talentontwikkeling (1 oktober 2019 tot 1 oktober 2020), Weerbaarheid (12 september 2019 tot 12 september 2020), Onderzoek op aanvraag en de Sponsorregeling mag de projectduur worden verlengd.
  • Binnen de regeling Professionalisering Lokale Omroepen (1 maart 2020 t/m 28 februari 2021) mag de projectduur worden verlenging en/of de toegezegde subsidie volledig worden ingezet voor de nieuws- en informatievoorziening rond de coronacrisis.
  • Het Accelerator programma (regeling Journalistieke innovatie) wordt digitaal aangeboden.

Het FBJP treft coulancemaatregelen om juist de individuele (freelance) journalisten te steunen. Met ingang van 7 april 2002 heeft het FBJP de volgende maatregelen getroffen:

  • Er komt een spoedprocedure voor projectvoorstellen.
  • De aanvraagprocedure voor projectaanvragen tot € 5000 wordt versimpeld.
  • Deadlines worden afgeschaft – het indienen van aanvragen is doorlopend mogelijk.
  • Subsidie zal in voorkomende gevallen (gedeeltelijk) worden uitbetaald als uitvoering of publicatie buiten de schuld van journalisten wordt uitgesteld.
  • De beurzen voor Expertisebevordering worden explicieter ook beschikbaar gesteld voor online scholingsactiviteiten.

Zo snel mogelijk volgen nog twee maatregelen van het FBJP:

  • Ondersteuning van journalisten en trainers die hun lesmateriaal omzetten naar online scholing.
  • Geen royalty-afdracht voor journalisten over de boekverkopen van 2019 voor boeken die met steun van het FBJP zijn verschenen.

Maatregelen Nederlandse Publieke Omroep (NLPO) en Regionale Publieke Omroep (RPO)
De NLPO verlaagt in 2020 de jaarlijkse ledenbijdrage voor de lokale publieke omroepen.

Eenmalig wordt € 2 miljoen uit de Subsidieregeling innovatie en samenwerking regionale publieke media-instellingen op korte termijn ingezet om vanuit de regionale publieke omroepen de regionale en lokale journalistiek een impuls te geven.

Maatregelen provincies en gemeenten

Het kabinet roept decentrale overheden op ook een bijdrage voor de mediasector te leveren. Dat kan op allerlei manieren: van het treffen van coulancemaatregelen tot het regelmatig plaatsen van advertenties of het leveren van een extra incidentele bijdrage.

Uitbreiding Stimuleringsregeling E-health Thuis voor coronavirus (SET Covid 19)

Een aanbieder van zorg, jeugdhulp en/of ondersteuning heeft door de beperkingen die de corona-uitbraak oplegt aan zorgverlening thuis, snel behoefte aan meer technologische mogelijkheden om zorg op afstand te kunnen bieden. Aanbieders die rond de coronacrisis extra willen inzetten op digitale zorg op afstand voor thuiswonende cliënten, kunnen in aanmerking komen voor de uitbreiding van de Stimuleringsregeling E-health Thuis (SET).

SET Covid 19

Het doel van SET is zorgen dat ouderen en mensen met een (risico op) chronische ziekte of beperking met een grotere kwaliteit van leven langer thuis kunnen wonen. Deze uitbreiding (SET Covid 19) voorziet in digitale toepassingen (e-health) bedoeld voor thuiswonende kwetsbare ouderen of mensen met een chronische ziekte of beperking of hun mantelzorgers. Ook de jeugdzorg valt expliciet onder deze uitbreiding. Onder thuiswonende cliënten verstaat SET Covid 19 ook cliënten die vanwege medische redenen tijdelijk niet thuis kunnen wonen (zogenoemd tijdelijk verblijf).

E-health

De e-health toepassingen moeten bijdragen aan de continuïteit van ondersteuning of zorg op afstand voor thuiswonende cliënten tijdens de coronacrisis. E-health toepassingen gericht om mantelzorgers te ondersteunen bij hun zorgtaken komen ook in aanmerking.

Voorbeelden zijn tablets met beeldzorgapps, apps om een indicatie te stellen of een mantelzorger te ontlasten, medicatiedispensers en telebegeleiding en bijbehorende licenties.

Subsidie

Het subsidiebedrag is een vast bedrag van € 50.000, waarvan maximaal 50% mag worden ingezet voor de aanschafkosten of lease- en licentiekosten van digitale toepassingen. Ook mag het subsidiebedrag worden ingezet voor de loonkosten van professionals voor coördinatie, inzet en opleiding en om externen in te huren die helpen bij het implementeren van digitale toepassingen.

Er is geen eigen bijdrage vereist. Blijken de werkelijke kosten lager te zijn dan € 50.000, dan vordert de RVO het verschil terug.

Aanvraag

Deze uitbreiding van de SET is op 25 maart 2020 geopend en is inmiddels wegens het bereiken van het subsidieplafond weer gesloten. Een aanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) indienen is niet meer mogelijk.

Begin met typen en druk op enter om te zoeken

Belastingen - update coronaBelastingheffing - corona update